ECLI:NL:CRVB:2015:2658
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Algemene Oorlogsongevallenregeling wegens onvoldoende bewijs oorlogscalamiteiten
Appellant, geboren in 1942 in Nederlands-Indië, diende in 2012 een aanvraag in voor toekenning op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees de aanvraag in 2013 af wegens gebrek aan bevestiging van de door appellant gestelde oorlogservaringen. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De Raad beoordeelde dat onder oorlogsletsel wordt verstaan lichamelijk of geestelijk letsel als gevolg van vijandelijke acties of omstandigheden verbonden aan oorlog, waaronder de Bersiap-periode in Nederlands-Indië. Verweerder stelde dat onvoldoende bewijs bestond dat appellant betrokken was bij de ongeregeldheden of de gebeurtenissen persoonlijk had meegemaakt.
De Raad volgde dit standpunt omdat alleen de eigen verklaring van appellant aanwezig was, zonder objectieve gegevens of getuigenverklaringen. Historische context alleen is onvoldoende. Hoewel de AOR mildere criteria hanteert dan de Wubo, is enige bewijsvoering vereist. Het ambtelijk advies voor de Wubo-aanvraag, gebaseerd op indirect bewijs, werd niet gevolgd. Een nader onderzoek naar adresgegevens van grootouders werd niet noodzakelijk geacht.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 augustus 2015.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de AOR-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van persoonlijke oorlogscalamiteiten.