ECLI:NL:CRVB:2015:2686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten rolwaarneming in civiele procedure
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van rolwaarneming in een civiele procedure bij de rechtbank Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af, stellende dat deze kosten voor rekening van de advocaat komen en niet doorberekend mogen worden aan de rechtzoekende.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en wees het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond. In hoger beroep stond de vraag centraal of de kosten van rolwaarneming in dit individuele geval noodzakelijk waren.
De Raad overwoog dat rolwaarneming destijds niet verplicht was en dat het Besluit vergoedingen rechtsbijstand expliciet verbiedt dat advocaten deze kosten doorberekenen aan de cliënt. Zelfs indien de gemachtigde in strijd met dit artikel handelde, maakt dit de kosten niet noodzakelijk in de zin van de WWB. De stelling dat het verbod advocaten zou beletten de zaak aan te nemen, was onvoldoende onderbouwd.
De Raad concludeerde dat de kosten van rolwaarneming geen noodzakelijke kosten zijn zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor kosten rolwaarneming wordt afgewezen omdat deze kosten niet noodzakelijk zijn volgens de WWB.