ECLI:NL:CRVB:2015:2699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herziening WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellant ontving sinds 1992 een WAO-uitkering wegens rechtervoetklachten. Na een herziening in 2010 werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25-35%, later verhoogd naar 35-45%. In 2012 vroeg appellant om herkeuring vanwege vermeende verslechtering van zijn gezondheid, waaronder toegenomen voetklachten en stress. Verzekeringsartsen concludeerden echter dat er geen nieuwe objectiveerbare afwijkingen waren en dat de belastbaarheid ongewijzigd was.
Het UWV beëindigde de Ziektewet-uitkering en handhaafde de WAO-uitkering. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen aanwijzingen voor toegenomen beperkingen aanwezig waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten waren verergerd en dat hij naast voetklachten ook andere gezondheidsproblemen had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep een herhaling van eerdere gronden betrof en dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig was. De Raad corrigeerde een verwijzing naar artikel 43a WAO en bevestigde dat artikel 39a WAO van toepassing is, dat alleen toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak betreft. Omdat appellant geen medische gegevens overlegd had waaruit een toename van voetbeperkingen bleek, werd het beroep verworpen en de bestreden uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot herziening van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.