ECLI:NL:CRVB:2015:2751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellant kreeg aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 37%. Na een herbeoordeling door het UWV werd de uitkering beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt bleek te zijn.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de medische beperkingen van appellant adequaat waren onderkend en de arbeidskundige beoordeling de belastbaarheid juist vaststelde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onvolledig was en dat zijn beperkingen onvoldoende werden erkend, met name vanwege de ziekte van Ménière, een doorgemaakte TIA en patent foramen ovale.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten inzichtelijk en overtuigend waren en dat er geen reden was voor twijfel aan de vastgestelde beperkingen en belastbaarheid. Het UWV had bovendien het maatmanloon correct geïndexeerd. De mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 31,67%, waardoor appellant geen recht meer had op een WGA-uitkering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 31,67%.