ECLI:NL:CRVB:2015:2753
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens juiste vaststelling maatmaninkomen en beperkingen
Appellant, geboren in 1992, vroeg op 31 oktober 2012 een Wajong-uitkering aan wegens lymfoedeem aan zijn linkerbeen. Het UWV stelde het maatmaninkomen vast op het minimumjeugdloon en wees de aanvraag af omdat appellant in staat werd geacht ten minste 75% van het minimumloon te verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de arbeidskundige beoordeling werden onderschreven.
In hoger beroep stelde appellant dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld en dat het maatmaninkomen hoger had moeten zijn omdat hij zonder ziekte een hoger salaris zou hebben gehad. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek juist was en dat de bedrijfsarts meer beperkingen had vastgesteld voor een ander doel dan de Wajong-beoordeling. De medische stukken die appellant overlegde gaven geen aanleiding tot twijfel over de beperkingen.
Verder werd bevestigd dat het maatmaninkomen terecht op het minimumjeugdloon was vastgesteld omdat appellant geen diploma had behaald van een beroepsgerichte opleiding met een startsalaris van ten minste anderhalf maal het minimumloon. De geselecteerde functies waren medisch geschikt voor appellant.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering en het vastgestelde maatmaninkomen op het minimumjeugdloon.