ECLI:NL:CRVB:2015:2799
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens overschrijding vermogensgrens auto op naam appellant
Appellant ontving bijstand vanaf september 2005 en had een vrij te laten vermogen vastgesteld op €3.796,43. Bij een heronderzoek in 2011 bleek dat sinds maart 2008 een auto met een waarde van €8.500 op naam van appellant stond. Het college trok de bijstand over een deel van 2008 in en vorderde de kosten terug.
Appellant stelde dat de auto eigendom was van zijn moeder en dat het op zijn naam zetten van het kenteken een misverstand was. Hij voerde aan dat hij de auto niet kon verkopen en de waarde niet kon aanwenden voor levensonderhoud. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad oordeelde dat het op naam staan van het kenteken de veronderstelling rechtvaardigt dat de auto tot het vermogen van appellant behoort, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Appellant slaagde hier niet in omdat de verklaring van erfrecht dateerde van vóór het op naam zetten van de auto en zijn stellingen onvoldoende onderbouwd waren.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.