Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:2957

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 augustus 2015
Publicatiedatum
31 augustus 2015
Zaaknummer
12-6898 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overlijden appellant zonder bekende erfgenamen

Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht inzake een geschil over de AWBZ. Appellant heeft hoger beroep ingesteld, maar is op 16 juli 2013 overleden. De advocaat van appellant heeft vervolgens laten weten niet namens eventuele erfgenamen op te treden. De Raad heeft in de Staatscourant aangekondigd het onderzoek ter zitting te houden op 15 juli 2015, maar er is niemand namens erfgenamen verschenen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet langer ontvankelijk is omdat de appellant is overleden en geen belanghebbende zich heeft gemeld om het geding voort te zetten. Na oproep in de Staatscourant heeft niemand verzocht als partij deel te nemen. Hierdoor is het processuele belang van het hoger beroep komen te vervallen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door rechter J. Brand in aanwezigheid van griffier J.R. van Ravenstein op 26 augustus 2015.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het overlijden van appellant zonder opvolging door erfgenamen.

Uitspraak

12/6898 AWBZ
Datum uitspraak: 26 augustus 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
16 november 2012, 12/1926 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
Achmea Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant is op 16 juli 2013 overleden.
Bij brief van 21 januari 2015 heeft mr. Bakker de Raad bericht dat zij niet zal optreden namens eventuele erfgenamen van appellant.
De Raad heeft gelet op het bepaalde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de Staatscourant van 16 juni 2015 aangekondigd dat het onderzoek ter zitting zal plaatsvinden op 15 juli 2015.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2015. Van de zijde van de erfgenamen van appellant is niemand verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door K.A.H. van Doorn-Veerman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Naar het oordeel van de Raad is het hoger beroep gelet op de hiervoor onder het procesverloop beschreven feiten niet (langer) ontvankelijk. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
1.2.
Appellant is op 16 juli 2013 overleden. Niet kan worden gezegd dat de overledene enig belang heeft bij de voortzetting van het geding. Erfgenamen die appellant als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd en het geding zouden willen voortzetten zijn de Raad niet bekend. Na de oproep van de Raad in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht als partij aan het geding te mogen deelnemen.
1.3.
Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep is komen te ontvallen, zodat het hoger beroep
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2015.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.R. van Ravenstein

HD