ECLI:NL:CRVB:2015:2963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende onafgebroken arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft sinds 2008 meerdere aanvragen voor een Wajong-uitkering ingediend, welke telkens zijn afgewezen omdat zij niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was en in staat werd geacht ten minste het minimumloon te verdienen.
Het Uwv heeft bij herhaalde besluiten geweigerd terug te komen op het oorspronkelijke besluit van 27 februari 2008, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een ander oordeel rechtvaardigen. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en geoordeeld dat de medische beoordelingen zorgvuldig en voldoende gemotiveerd waren.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij haar handen slechts minimaal kan belasten en dat de geselecteerde functies daarom niet geschikt zijn, en dat een beoordeling voor een latere datum moet plaatsvinden. De Raad overweegt dat het Uwv bevoegd is een herhaalde aanvraag inhoudelijk te beoordelen, maar dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het eerdere besluit onjuist maken.
De Raad bevestigt dat de beperkingen die voortvloeien uit de diagnose bepalend zijn, niet de diagnose zelf, en concludeert dat de hypermobiliteit van de vingers geen aanleiding geeft tot een ander oordeel. Ook voldoet appellante niet aan de voorwaarde van volledige arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.