ECLI:NL:CRVB:2013:2094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering op grond van ongeschiktheid arbeid aan einde wachttijd
Appellant heeft meerdere keren een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid sinds zijn geboorte. Het UWV wees deze aanvragen af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om eerdere besluiten te herzien. De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht het verzoek om terug te komen op eerdere besluiten had afgewezen, maar stelde dat het UWV had moeten onderzoeken of sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid volgens artikel 19 van Pro de Wajong (Wet Amber).
Het UWV heeft dit onderzoek verricht en bij besluit van 14 maart 2012 opnieuw afgewezen op grond van het ontbreken van ongeschiktheid tot arbeid aan het einde van de wachttijd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het besluit onjuist was gemotiveerd en dat het UWV artikel 19 verkeerd Pro had toegepast.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant aan het einde van de wachttijd geschikt was voor arbeid, aangezien hij in staat was om passende functies te vervullen waarmee hij ten minste het minimumloon kon verdienen. De Raad vond dat het UWV het juiste standpunt had ingenomen en dat de rechtbank voldoende gemotiveerd had waarom het beroep ongegrond werd verklaard. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat hij aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor arbeid.