Appellant, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, had studiefinanciering toegekend aan betrokkene op basis van de norm voor een uitwonende studerende. Later werd dit herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende, met terugvordering van het teveel betaalde bedrag, omdat betrokkene volgens appellant niet op haar GBA-adres woonde.
Het onderzoek bestond uit dossieronderzoek en een huisbezoek bij de grootvader van betrokkene, waarbij de feitelijke woonsituatie van betrokkene niet rechtstreeks is onderzocht. De handhavingsrapportage richtte zich vooral op de grootvader en diens nieuwe echtgenote, zonder concrete vaststelling van betrokkene's verblijfplaats.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende bewijs. De Raad bevestigt deze uitspraak, omdat het onderzoek onvoldoende inzicht geeft in de woonsituatie van betrokkene en de grootvader mogelijk verkeerde aannames had over het doel van het onderzoek.
De Raad veroordeelt appellant tot betaling van de proceskosten van betrokkene en heft griffierecht. Hierdoor blijft het besluit tot herziening en terugvordering ongedaan gemaakt.