ECLI:NL:CRVB:2015:3000

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 september 2015
Publicatiedatum
3 september 2015
Zaaknummer
14-2228 AWBZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 BbzArt. 8 Bbz
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening eigen bijdrage AWBZ op basis van definitief inkomen is toegestaan

Appellant verbleef in een AWBZ-instelling en kreeg een eigen bijdrage opgelegd door het CAK, aanvankelijk vastgesteld op basis van artikel 8 van Pro het Bijdragebesluit zorg (Bbz) vanwege het voor het eerst genieten van inkomen in 2011.

Het CAK heeft de eigen bijdrage meerdere malen herzien op basis van definitieve inkomensgegevens, waarbij correcties werden doorgevoerd en bij appellant in rekening gebracht. Appellant stelde dat herziening niet mogelijk was indien de bijdrage was vastgesteld op grond van artikel 8 Bbz Pro, en dat herziening in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.

De Raad oordeelde dat artikel 8 Bbz Pro een uitzondering is op artikel 6 Bbz Pro en dat de systematiek van het Bbz juist voorziet in herziening van de eigen bijdrage indien later definitieve of gewijzigde inkomensgegevens beschikbaar komen. De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Gelderland.

De Raad vond dat appellant rekening had kunnen houden met mogelijke wijzigingen van de eigen bijdrage en dat de herzieningen niet in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De herziening van de eigen bijdrage AWBZ op basis van het definitieve inkomen wordt toegestaan en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

14/2228 AWBZ
Datum uitspraak: 2 september 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 maart 2014, 13/5743 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP
Namens appellant hebben zijn ouders, [naam ouder 1] en [naam ouder 2] , hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Appellant is vertegenwoordigd door zijn ouders. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door
M. Knoester en mr. N. Kroesen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant verblijft in een instelling als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Bij besluit van 3 april 2012 heeft CAK de hiervoor verschuldigde eigen bijdrage met ingang van 1 januari 2012 vastgesteld op € 81,50 per maand. CAK heeft de eigen bijdrage berekend met toepassing van artikel 8, tweede lid, van het Bijdragebesluit zorg (Bbz), omdat appellant in 2011 voor het eerst zelf inkomen heeft genoten.
1.2.
CAK heeft vervolgens bij besluiten van 21 maart 2013, 2 en 17 april 2013, 26 en 28 juni 2013, de eigen bijdrage per 1 januari 2013 met toepassing van artikel 8, derde lid, van het Bbz vastgesteld, de vastgestelde eigen bijdrage voor 2012 en 2013 herzien en de correcties bij appellant in rekening gebracht.
1.3.
Bij besluit van 24 juli 2013 (bestreden besluit) heeft CAK de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 21 maart 2013 en 2 april 2013 niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft CAK de bezwaren tegen de besluiten van 17 april 2013 en 26 en 28 juni 2013 ongegrond verklaard.
1.4.
Bij besluiten van 30 december 2013 en 2 januari 2014 heeft CAK de vastgestelde eigen bijdrage voor 2012 en 2013 nogmaals herzien. De eigen bijdrage voor 2012 bedraagt € 146,71 per maand en voor 2013 € 150,59 per maand. Tevens heeft CAK bij besluit van 17 januari 2014 de correcties over 2012 en 2013 tot een bedrag van € 224,64 bij appellant in rekening gebracht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de besluiten genoemd onder 1.4 bij haar beoordeling betrokken en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. Appelant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de eigen bijdrage niet kan worden herzien, indien deze met toepassing van artikel 8 van Pro het Bbz is vastgesteld, omdat de berekening van de eigen bedrage in dat geval wordt gebaseerd op een verwacht inkomen. Artikel 8 van Pro het Bbz bepaalt verder niet dat de eigen bijdrage definitief wordt vastgesteld als het inkomen definitief bekend is. De herzieningen zijn volgens appellant tevens in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat artikel 8 van Pro het Bbz niet in de weg staat aan een herziening van de eigen bijdrage aan de hand van het definitieve inkomen. Ingevolge artikel 6 van Pro het Bbz wordt de eigen bijdrage vastgesteld op grond van het bijdrageplichtig inkomen op basis van het inkomen over het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de verzekerde zijn aanspraak op zorg tot gelding brengt. Artikel 8 van Pro het Bbz is een uitzondering op artikel 6 van Pro het Bbz voor het geval dat de verzekerde voor het eerst inkomen gaat genieten. In dat geval wordt de berekening van het bijdrageplichtig inkomen gebaseerd op het inkomen dat de verzekerde naar verwachting zal genieten. Uit de systematiek van het Bbz volgt dat CAK de vaststelling van de eigen bijdrage - daargelaten of deze is vastgesteld op basis van artikel 6 of Pro artikel 8 van Pro het Bbz - herziet indien uit een alsnog beschikbaar inkomen of uit een wijziging van een inkomen blijkt dat de eigen bijdrage onjuist is vastgesteld. De door appellant gegeven uitleg dat CAK de met toepassing van artikel 8 van Pro het Bbz berekende eigen bijdrage niet aan de hand van de juiste gegevens mag herzien vindt geen steun in het Bbz en leidt ook tot de weinig voor de hand liggende uitkomst dat een bijdrage op basis van onjuiste schatting - ook als deze op basis van de juiste gegevens te hoog blijkt te zijn - niet alsnog op het lagere juiste bedrag zou kunnen worden vastgesteld. Voorts heeft CAK appellant er in de verschillende besluiten steeds op gewezen dat de hoogte van de eigen bijdrage kan veranderen indien gewijzigde gegevens worden ontvangen. Appellant had daarom rekening kunnen en moeten houden met een wijziging van de vastgestelde eigen bijdrage. De herzieningen van de eigen bijdrage zijn dan ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
4.2.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2015.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) W. de Braal

AP