ECLI:NL:CRVB:2015:3055
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en meldde zich ziek per 2 april 2013 wegens pijnklachten en slaapproblemen. Na een onderzoek door een bedrijfsarts op 20 augustus 2013 werd vastgesteld dat appellant vanaf 21 augustus 2013 in staat was zijn maatgevende arbeid te verrichten. Het UWV beëindigde daarop de Ziektewetuitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische beperkingen van appellant niet zodanig waren dat hij niet kon werken.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische beperkingen werden onderschat. De Raad onderschreef echter het oordeel van de verzekeringsarts dat de klachten niet zodanig waren dat appellant zijn werk niet kon verrichten. Er was geen sprake van een onjuiste maatstaf arbeid en het psychiatrisch rapport was reeds bekend en meegenomen in de beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens onvoldoende medische grondslag.