ECLI:NL:CRVB:2015:3083
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening ouderdomspensioen op grond van gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf
Appellant ontving sinds november 2008 AOW-pensioen voor een ongehuwde. Na onderzoek door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd geconcludeerd dat appellant zijn hoofdverblijf had bij zijn ex-echtgenote, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde. De Svb herzag daarom het pensioen met ingang van september 2012 naar het gehuwdennormbedrag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant de ingangsdatum van de herziening en stelde dat hem een ander beleid was toegezegd. De Raad oordeelde dat uit de checklist en verklaringen blijkt dat appellant vanaf medio augustus 2012 zijn hoofdverblijf bij zijn ex-echtgenote had, wat het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding bevestigt.
De Raad verwierp het betoog over een afwijkend beleid wegens gebrek aan onderbouwing en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het ouderdomspensioen wordt bevestigd vanaf september 2012.