ECLI:NL:CRVB:2015:3137

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 september 2015
Publicatiedatum
16 september 2015
Zaaknummer
14-2244 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 Wet studiefinanciering 2000Art. 4 Verordening (EG) nr. 883/2004Art. 11 lid 3 onder a Verordening (EG) nr. 883/2004Artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing studiefinanciering wegens marginale economische activiteit van Belgische student-ondernemer

Appellant, een Belgische student aan de Universiteit Utrecht, voerde een eenmanszaak met beperkte omzet en verlies. Hij vroeg studiefinanciering aan, maar de minister wees dit af omdat appellant niet voldeed aan de criteria van reële en daadwerkelijke arbeid.

De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat appellant niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlandse zelfstandige omdat zijn activiteiten slechts marginaal waren. Appellant voerde aan dat de Belastingdienst hem als ondernemer erkende en dat de minister een te beperkt ondernemersbegrip hanteerde.

De Raad oordeelde dat de economische activiteiten van appellant dermate gering waren dat ze van louter marginale en bijkomstige aard waren, ondanks het aantal uren dat hij aan zijn project besteedde. De Belastingdienst had appellant niet als zelfstandige aangemerkt in de relevante periode. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag studiefinanciering van appellant wordt afgewezen wegens marginale en bijkomstige economische activiteiten.

Uitspraak

14/2244 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
13 maart 2014, 12/1938 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
Datum uitspraak: 16 september 2015
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Vleugel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vleugel. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.1.
Appellant, geboren in 1982, heeft de Belgische nationaliteit. Sinds 1 september 2011 studeert hij aan de Universiteit Utrecht. Op 2 mei 2011 heeft appellant de eenmanszaak [eenmanszaak] ingeschreven in het handelsregister met als bedrijfsomschrijving “Ontwikkeling, productie, verhuur en verkoop van pedaalaangedreven installaties”. Met ingang van
1 november 2011 heeft appellant bedrijfsruimte gehuurd voor een bedrag van € 300 per maand. Appellant heeft in hoger beroep jaarstukken overgelegd. Volgens de jaarstukken over 2011 heeft hij in dat jaar € 300 aan ondernemingsbaten verkregen en over 2012 € 1.062,40. De winst- en verliesrekening resulteerde voor beide jaren in een verlies.
1.1.2.
De Belastingdienst heeft appellant voor de heffing van omzetbelasting als ondernemer aangemerkt en teruggaven omzetbelasting verleend. Bij de uitspraak op het bezwaar van appellant tegen de aanslag inkomstenbelasting over 2011 heeft de Belastingdienst op 6 mei 2013 gesteld “Uw deelname aan het economisch verkeer is tot op heden minimaal te noemen, de wil om voordeel te behalen kan bevestigend worden beantwoord. Of voordeel te verwachten was, moet gezien de resultaten ontkennend worden beantwoord.”. Over het jaar 2012 heeft de Belastingdienst een aanlag vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte en het aangegeven verlies uit onderneming in aanmerking genomen.
1.2.1.
Aan appellant is op zijn aanvraag studiefinanciering toegekend over respectievelijk de laatste vier maanden van 2011 en de maanden januari en februari 2012.
1.2.2.
In het kader van de aanvraag voor de periode vanaf maart 2012 heeft appellant bij een brief van 2 maart 2012 aan de minister een urenadministratie gezonden met betrekking tot de eenmanszaak.
1.2.3.
Bij besluit van 5 april 2012 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat bij de beoordeling van de ingezonden stukken is gebleken dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van studiefinanciering vanaf 1 maart 2012.
1.2.4.
De minister heeft het door appellant tegen het besluit van 5 april 2012 gemaakte bezwaar bij besluit van 26 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij gesteld dat bij appellant vanaf maart 2012 geen sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid en dat appellant op grond van het gevoerde beleid niet voldoet aan de criteria voor toekenning van studiefinanciering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan appellant alleen studiefinanciering kan worden toegekend indien hij als zelfstandige in de zin van Richtlijn 2004/38/EG kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met de term zelfstandige gedoeld op het begrip “werkzaamheden anders dan in loondienst” als economische activiteit. Er is sprake van een economische activiteit indien het om reële en daadwerkelijke en niet slechts om louter marginale en bijkomstige activiteiten gaat. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid.
3.1.
Appellant heeft er in hoger beroep op gewezen dat hij door de Belastingdienst wordt beschouwd als zelfstandig ondernemer. Voor dat ondernemerschap acht de Belastingdienst niet van belang of en hoeveel omzet appellant heeft gerealiseerd. De minister hanteert volgens appellant een te beperkt ondernemersbegrip en houdt geen rekening met het feit dat een economische activiteit voor een student-ondernemer per definitie bijkomstig is. Daarbij laat de minister ten onrechte buiten beschouwing dat ook bij een redelijke omzet niet valt uit te sluiten dat geen reële vergoeding wordt verworven, omdat er door hoge kosten verlies wordt geleden.
3.2.
De minister staat op het standpunt dat appellant in het van belang zijnde tijdvak geen reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht waarvoor een beloning is verstrekt en appellant evenmin valt onder de Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap ex artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000, Stcrt. 2010, nr. 124 (de Beleidsregel).
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.1.
Ingevolge artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 komt een studerende die niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar ingevolge een verdrag met een Nederlander gelijk wordt gesteld, in aanmerking voor studiefinanciering.
4.1.2.
Artikel 4 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) bepaalt dat personen op wie de bepalingen van de verordening van toepassing zijn, onder dezelfde voorwaarden de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de wetgeving van een lidstaat hebben als de onderdanen van die staat. Artikel 11, derde lid, onder a, van deze verordening bepaalt dat de wetgeving van die lidstaat geldt, waarin een betrokkene werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verricht.
4.1.3.
Niet in geschil is dat appellant in de van belang zijnde periode geen werkzaamheden in loondienst heeft verricht.
4.1.4.
Van het verrichten van werkzaamheden niet in loondienst kan sprake zijn bij een geheel van economische activiteiten dat, naar het oordeel van de nationale rechter, een reëel en daadwerkelijk karakter heeft en niet zo gering is dat het van louter marginale en bijkomstige aard is. De vraag of er sprake is van dergelijke werkzaamheden valt niet zonder meer te beantwoorden aan de hand van het aantal uren dat met de werkzaamheden is gemoeid en evenmin aan de hand van de hoogte van de verworven inkomsten.
4.2.1.
In de situatie van appellant is er geen sprake van het in rekening brengen van gewerkte uren aan een derde en zal de Raad moeten beoordelen of anderszins sprake is van een geheel van economische activiteiten dat een reëel en daadwerkelijk karakter heeft en niet zo gering is dat het van louter marginale en bijkomstige aard is. Daarbij zal de Raad het jaar 2012 in aanmerking nemen als studiefinancieringstijdvak aan de hand van de over dat jaar ingebrachte gegevens.
4.2.2.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat betrokkene zich in 2012 heeft bezig gehouden met het concept van “pedaal aangedreven” apparatuur en de verhuur van bakfietsen, voorzien van deze apparatuur. Hij heeft een geringe omzet behaald met uiteindelijk een verlies over dat jaar. Deze economische activiteiten acht de Raad dermate gering dat die van louter marginale en bijkomstige aard zijn. Het aantal uren dat appellant aan de ontwikkeling van het project heeft besteed doet aan deze conclusie niet af.
4.3.
Anders dan appellant in zijn hogerberoepschrift heeft gesteld valt uit de handelingen van de Belastingdienst niet af te leiden dat deze zich op het standpunt heeft gesteld dat appellant als zelfstandige is aangemerkt. De expliciete stellingname van de Belastingdienst voor 2011 luidt immers anders en voor het jaar 2012 heeft de Belastingdienst uitsluitend de aangifte van appellant over dat jaar gevolgd. Deze stelling, wat er zij van de daaraan voor dit geschil te verbinden gevolgen, mist dan ook feitelijke grondslag.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2015.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) V. van Rij

HD