ECLI:NL:CRVB:2015:3137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing studiefinanciering wegens marginale economische activiteit van Belgische student-ondernemer
Appellant, een Belgische student aan de Universiteit Utrecht, voerde een eenmanszaak met beperkte omzet en verlies. Hij vroeg studiefinanciering aan, maar de minister wees dit af omdat appellant niet voldeed aan de criteria van reële en daadwerkelijke arbeid.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat appellant niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlandse zelfstandige omdat zijn activiteiten slechts marginaal waren. Appellant voerde aan dat de Belastingdienst hem als ondernemer erkende en dat de minister een te beperkt ondernemersbegrip hanteerde.
De Raad oordeelde dat de economische activiteiten van appellant dermate gering waren dat ze van louter marginale en bijkomstige aard waren, ondanks het aantal uren dat hij aan zijn project besteedde. De Belastingdienst had appellant niet als zelfstandige aangemerkt in de relevante periode. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag studiefinanciering van appellant wordt afgewezen wegens marginale en bijkomstige economische activiteiten.