ECLI:NL:CRVB:2015:3153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande sinds december 2009. Na een melding dat appellant niet verscheen voor gesprekken, stelde de gemeente Amsterdam een onderzoek in waaruit bleek dat meerdere personen op het adres stonden ingeschreven. Appellant weigerde mee te werken aan een huisbezoek, waarna de bijstand werd opgeschort en later ingetrokken.
Het college stelde vast dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met L zonder dit te melden, waardoor hij geen zelfstandig recht op bijstand had. De bijstand werd over de periode van maart 2011 tot maart 2012 ingetrokken en de kosten teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet gehouden kon worden aan zijn verklaring, maar de Raad oordeelde dat de verklaring, vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt rapport, rechtsgeldig was. De Raad concludeerde dat er sprake was van wederzijdse zorg en een gezamenlijke huishouding, waardoor het college terecht de bijstand introk en terugvorderde.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door M. Hillen, in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.