ECLI:NL:CRVB:2015:3154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde geldtransacties
Appellante ontving sinds 2001 bijstand op grond van de WWB. Uit onderzoek van de FIU en een sociaal rechercheur bleek dat zij tussen mei 2002 en april 2009 22 financiële transacties uitvoerde ter waarde van €17.188,-, zonder deze te melden aan het college. Het college trok de bijstand over diverse maanden in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante de transacties, maar kon dit niet onderbouwen. De Raad stelde vast dat de transacties met Europese identiteitskaarten en adressen van appellante waren uitgevoerd, waardoor haar schending van de inlichtingenplicht vaststond.
De Raad oordeelde dat de transacties op geld waardeerbare arbeid betroffen en dat appellante redelijkerwijs wist dat dit invloed had op haar recht op bijstand. Omdat zij geen administratie bijhield, kon niet worden vastgesteld of zij recht had op bijstand in die maanden. Op grond van artikel 54 WWB Pro was het college bevoegd de bijstand in te trekken. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde geldtransacties.