ECLI:NL:CRVB:2015:3159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was industrieel werker/heftruckchauffeur en viel in mei 2009 uit met rugklachten. Het UWV besloot in februari 2012 dat appellant geen WIA-uitkering kreeg omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, geschikt bevonden voor andere functies. Dit besluit bleef in bezwaar en beroep gehandhaafd.
Appellant meldde zich in april 2012 ziek met diverse klachten en werd tijdelijk arbeidsongeschikt verklaard. In april 2013 stelde de verzekeringsarts vast dat appellant geschikt was voor werk en beëindigde het UWV de Ziektewet-uitkering. Appellant maakte bezwaar, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de psychische klachten niet onderschat waren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat relevante informatie van de Riagg onvoldoende was meegewogen, en dat de verzekeringsarts onterecht geen nadere informatie had opgevraagd. Ook stelde appellant dat het gebruik van pijnstillers een onvermogen tot arbeid aangaf. De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de Riagg-verklaring geen aanleiding gaf tot een ander oordeel, dat geen reden was om aanvullende informatie op te vragen en dat pijnstillers de belastbaarheid niet verminderen.
De Raad bevestigde het eerdere oordeel dat appellant geschikt is voor arbeid en dat het besluit tot weigering van de WIA-uitkering terecht is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.