Uitspraak
.Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Den Hollander
.Het college, is met bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar echtgenoot ontvingen sinds januari 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 14 september 2012 vroeg appellante een langdurigheidstoeslag aan met ingang van 5 januari 2009. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat het gezamenlijke inkomen gedurende de voorafgaande zestig maanden niet hoger was dan de toepasselijke bijstandsnorm.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat zij alle redelijke bewijsstukken had overgelegd waaruit blijkt dat haar inkomen niet hoger was dan de bijstandsnorm. Zij verwees naar het pensioen van haar echtgenoot en de financiële ondersteuning van haar schoonvader, en stelde dat het college over pensioengegevens beschikte en Suwinet kon raadplegen.
De Raad oordeelde dat het aan appellante is om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de voorwaarden voor de toeslag, waaronder het inkomen onder de bijstandsnorm. De enkele stelling dat het college Suwinet kan raadplegen volstaat niet. Appellante heeft geen objectieve, verifieerbare bewijsstukken overgelegd die haar stellingen ondersteunen. Daarom was het college terecht tot afwijzing overgegaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag langdurigheidstoeslag wordt afgewezen wegens het ontbreken van bewijs dat het inkomen niet hoger was dan de bijstandsnorm.