Uitspraak
5 november 2014, 14/96 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1978 werkzaam bij de Belastingdienst/Douane en werd meerdere malen geconfronteerd met alcoholgebruik tijdens werktijd. In april 2009 werd door collega’s melding gemaakt van dranklucht en afwijkend gedrag. In 2010 werd appellant aangehouden wegens rijden onder invloed, wat leidde tot een disciplinaire straf van verplaatsing in 2012, waarbij hij werd gewaarschuwd dat herhaling tot ontslag zou leiden.
In oktober 2012 werd appellant onder invloed van alcohol aangetroffen op de werkplek, wat leidde tot schorsing en uiteindelijk het voornemen tot onvoorwaardelijk ontslag. Na het horen van partijen bevestigde de Raad dat appellant zich schuldig had gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De verklaring van een leidinggevende en de erkenning van appellant zelf vormden voldoende bewijs.
De Raad oordeelde dat de opgelegde straf passend was gezien de aard en ernst van het plichtsverzuim, de hoge eisen aan betrouwbaarheid en integriteit bij de Douane, en de eerdere waarschuwingen en begeleiding. Appellant slaagde er niet in aan te tonen dat hij ondanks alcoholgebruik zijn werkzaamheden kon verrichten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het onvoorwaardelijk ontslag bevestigd.