ECLI:NL:CRVB:2015:3208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Ch. van Voorst
- P.H. Banda
- Rechtspraak.nl
Intrekking WIA-uitkering wegens herstel arbeidsongeschiktheid na medisch en arbeidskundig onderzoek
Betrokkene, voormalig mededirecteur van een assurantiekantoor, viel in december 2008 uit wegens pols- en handklachten. Het UWV kende hem vanaf 15 december 2010 een WIA-uitkering toe wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV in 2012 vast dat betrokkene niet langer arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 15 april 2014. Betrokkene maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.
De rechtbank Noord-Holland oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat betrokkene geschikt was voor zijn maatmanfunctie, vooral vanwege onduidelijkheid over de belasting door schrijf- en computerwerk. De rechtbank gaf het UWV opdracht het besluit te herzien. Het UWV stelde een aangepast rapport op, waarna de rechtbank het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde.
In hoger beroep stelde het UWV dat betrokkene wel geschikt was voor zijn functie, onderbouwd met een arbeidsdeskundig rapport. Betrokkene voerde aan dat hij door lichamelijke beperkingen niet geschikt was, met name vanwege schrijf- en computerwerk, autorijden en energieniveau. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was en dat betrokkene binnen zijn belastbaarheid kon werken. De Raad volgde het deskundigenrapport en concludeerde dat betrokkene niet langer arbeidsongeschikt is, waardoor het beroep ongegrond is en de eerdere uitspraken worden vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WIA-uitkering gehandhaafd.