ECLI:NL:CRVB:2015:3234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 september 2015
Publicatiedatum
25 september 2015
Zaaknummer
14/1095 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering ondanks CVS-klachten

Appellant, sinds 1993 arbeidsongeschikt wegens diverse klachten waaronder psychische en rugproblemen, ontvangt sinds 1994 een WAO-uitkering van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid. Na diverse functies te hebben vervuld, stopte appellant in 2010 met werken vanwege concentratie- en moeheidsklachten.

Het UWV stelde in 2012 de WAO-uitkering ongewijzigd vast, wat door appellant werd bestreden met het argument dat zijn Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) onvoldoende was meegewogen, met name dat een urenbeperking had moeten worden toegepast. De rechtbank Gelderland verwierp dit beroep, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant onvoldoende objectief-medische gegevens had geleverd ter onderbouwing van zijn standpunt.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, verwijzend naar de erkenning van CVS als ziekte door de WHO. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een diepgaand en zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij de vermoeidheidsklachten als gevolg van CVS waren meegenomen. De medische rapporten boden geen aanleiding tot het aannemen van extra beperkingen of een urenbeperking.

De Raad onderschreef de conclusies van de verzekeringsartsen en stelde vast dat appellant niet met voldoende medische gegevens zijn standpunt had onderbouwd. De Raad bevestigde dat appellant terecht in staat werd geacht de geselecteerde functies te vervullen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant wordt ongewijzigd vastgesteld zonder urenbeperking ondanks CVS-klachten.

Uitspraak

14/1095 WAO
Datum uitspraak: 11 september 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
16 januari 2014, 13/3279 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is in 1993 wegens diverse klachten, onder meer psychische klachten,
rugproblemen en bloeddrukproblemen, uitgevallen voor zijn werk als machinebediende. In verband hiermee is hij met ingang van 26 oktober 1994 in aanmerking gebracht voor een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.2.
In augustus 2005 is hij met een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening als productiebegeleider in dienst getreden bij werkgever [naam werkgever] . Na het wegvallen van die functie is appellant op detacheringsbasis gaan werken als boekhouder in een omvang van
36 uur per week. Deze werkzaamheden heeft appellant op 28 september 2010 gestaakt
wegens concentratieproblemen en moeheidsklachten.
1.3.
Bij besluit van 14 november 2012 heeft het Uwv, in lijn met de uitkomsten van
verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, de WAO-uitkering van appellant met ingang van 26 september 2012 ongewijzigd vastgesteld op een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.4.
Bij besluit van 25 april 2013 (bestreden besluit), heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 14 november 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft geen redenen gezien te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het
onderzoek door de verzekeringsartsen of aan de conclusies waartoe deze artsen zijn gekomen met betrekking tot de belastbaarheid van appellant op de datum in geding.
2.3.
De rechtbank heeft overwogen appellant niet te kunnen volgen in diens standpunt dat hij als gevolg van de klachten die hij ondervindt van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) zwaarder beperkt is dan door de verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen, in het bijzonder dat een urenbeperking in aanmerking had moeten worden genomen. De rechtbank heeft, daarbij gelet op door verzekeringsarts bezwaar en beroep M.P.W. Kreté geleverd
commentaar, overwogen dat appellant, ook met de door hem ingebrachte informatie van een acupuncturist, een fysiotherapeut, een psycholoog, een internist, een bedrijfsarts en een
gespreksverslag van werkgever [naam werkgever] , niet erin geslaagd is het eigen standpunt dat een
urenbeperking is aangewezen aan de hand van toereikende objectief-medische gegevens te onderbouwen.
2.4.
Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden ten grondslag gelegde functies.
3. Appellant heeft in hoger beroep de eigen opvatting staande gehouden dat voor hem in
verband met zijn aandoening CVS een urenbeperking in aanmerking had moeten worden
genomen. Appellant wijst erop dat CVS een ook door de World Health Organization erkende ziekte is. Appellant meent dat dit door de verzekeringsartsen van het Uwv ten onrechte is miskend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv een
voldoende diepgaand en ook anderszins een voldoende zorgvuldig onderzoek hebben
ingesteld naar de gezondheidsklachten van appellant. Niet is gebleken dat de
verzekeringsartsen bij het beoordelen van de voor appellant van toepassing te achten
beperkingen de vermoeidheidsklachten die hij ondervindt als gevolg van CVS niet hebben meegenomen. De gemachtigde van het Uwv heeft desgevraagd ter zitting opgemerkt - en de Raad acht dit juist - dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende
verzekeringsgeneeskundige rapporten geen aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat CVS in het geval van appellant niet als relevante diagnose is erkend, maar tevens dat die
artsen - ook niet in de aandoening CVS - geen aanleiding hebben gevonden om meer
beperkingen voor appellant van toepassing te achten dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 8 oktober 2012 is vastgelegd. Met name is geen aanleiding gezien voor een urenbeperking.
4.2.
De Raad onderschrijft met de rechtbank - en met overneming van de daartoe door de rechtbank gebezigde overwegingen - evenvermelde conclusies van de verzekeringsartsen. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep niet erin is geslaagd het eigen standpunt aan de hand van toereikende medische gegevens te onderbouwen. De enkele verwijzing naar de diagnose CVS volstaat daartoe niet. De Raad kan zich vinden in de reactie van
verzekeringsarts bezwaar en beroep Kreté, als neergelegd in het bij het verweerschrift
gevoegde rapport van die arts van 7 mei 2014, erop neerkomend dat het medische
feitencomplex dat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet anders is dan wat reeds eerder door hem was aangevoerd en daarom geen reden geeft tot wijziging van het ingenomen standpunt.
4.3.
Ten slotte verenigt de Raad zich ook met het oordeel van de rechtbank dat appellant op de datum in geding terecht in staat is geacht tot het vervullen van de aan de schatting ten
grondslag gelegde functies.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en
G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2015.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) M. Crum

AP