ECLI:NL:CRVB:2015:3307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenoot
Appellante vroeg bijstand aan naar de norm voor een alleenstaande ouder, maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar ex-echtgenoot H, met wie zij kinderen heeft en samen op hetzelfde adres woont.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat het onweerlegbare vermoeden van gezamenlijke huishouding zonder mogelijkheid tot tegenbewijs in strijd is met bestuursrechtelijke beginselen en internationale verdragen zoals het EVRM en het IVRK.
De Raad oordeelde dat het vermoeden van gezamenlijke huishouding op grond van artikel 3, vierde lid, WWB terecht is toegepast en dat het uitsluiten van tegenbewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces of internationale verplichtingen. Ook het beroep op het IVRK faalde omdat de belangen van de kinderen niet zijn geschaad.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen wegens gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot.