Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving vanaf 2 augustus 2010 een WW-uitkering en meldde zich ziek vanaf 15 november 2010. Vanaf 14 februari 2011 tot 28 oktober 2012 ontving zij naast de Ziektewet-uitkering ook onverschuldigd een WW-uitkering. Het UWV besloot daarom de WW-uitkering met ingang van 14 februari 2011 in te trekken en het bedrag van €27.243,27 bruto terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV conform zijn beleid handelde door de bruto terugvordering toe te passen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij geen dubbele uitkering ontving en dat de bruto terugvordering een buitensporige last vormt in strijd met artikel 6 EVRM Pro en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De Raad verwierp het verweer dat geen dubbele uitkering was ontvangen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De terugvordering werd niet als straf maar als reparatoir beschouwd, waardoor artikel 6 EVRM Pro niet werd geschonden. De Raad oordeelde dat de eigendomsontneming door terugvordering voorzien is bij wet, een legitiem algemeen belang dient en geen onevenredige last oplevert, mede gezien de aflossingen en belastingteruggaveopties.
De Raad kwalificeerde het UWV-beleid als buitenwettelijk begunstigend en concludeerde dat het UWV terecht het bruto bedrag terugvordert omdat appellante het netto bedrag niet binnen het belastingjaar had terugbetaald. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en de bruto terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd.