Uitspraak
OVERWEGINGEN
De Raad is van oordeel dat deze ritten, voor zover appellant deze ten minste een maal per week pleegde af te leggen, aangemerkt dienen te worden als woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 13 van Pro het Reïntegratiebesluit.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, sinds 1994 arbeidsongeschikt en gestart met re-integratie als zelfstandige in 2006, vroeg het UWV om een voorziening voor reiskosten over de jaren 2007 tot en met 2011. Het UWV wees deze aanvragen af, stellende dat de kosten geen woon-werkverkeer betroffen en appellant niet tot de doelgroep behoorde.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, maar in hoger beroep betoogde appellant dat de ritten naar verschillende vleeswarenfabrieken als woon-werkverkeer moeten worden aangemerkt. De Raad oordeelde dat het begrip werkplek breder moet worden uitgelegd en dat de ritten die appellant ten minste eenmaal per week maakte, als woon-werkverkeer gelden.
Verder stelde de Raad vast dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door de aanvraag over 2009 niet te beoordelen en onvoldoende te motiveren. Daarom draagt de Raad het UWV op het besluit te herzien, eerst te beoordelen of appellant over 2007-2009 recht heeft op een voorziening en vervolgens over 2010-2011, rekening houdend met de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien en de aanvraag voor reiskostenvoorziening over 2007-2011 opnieuw te beoordelen.