Appellante ontving sinds 2003 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van anonieme tips en internetonderzoek stelde de gemeente Borne een onderzoek in naar haar mogelijke inkomsten uit werkzaamheden als nagelstyliste en voor een netwerkmarketingbedrijf. Het college trok de bijstand met ingang van 1 februari 2013 in en vorderde de kosten terug omdat appellante deze werkzaamheden niet had gemeld, waarmee zij de inlichtingenverplichting zou hebben geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij slechts oriënterende activiteiten had verricht en geen inkomsten had ontvangen. De Raad oordeelde dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten, ook zonder daadwerkelijke inkomsten, relevant is voor het recht op bijstand. De aanwezigheid van een kamer ingericht als nagelstudio en het verrichten van werkzaamheden, evenals het actief optreden als onderneemster voor het netwerkmarketingbedrijf, vormden een schending van de inlichtingenplicht.
Omdat appellante geen verifieerbare gegevens over inkomsten kon overleggen en de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand onzeker maakte, was het college bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.