ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending inlichtingenverplichting bij werkzaamheden keurmeester
Appellant en appellante dienden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvraag om bijstand in nadat appellant zijn onderneming had beëindigd. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat appellant na de beëindiging van zijn bedrijf nog werkzaamheden als keurmeester verrichtte, zonder dit aan het college te melden. Hierdoor kon het college niet vaststellen of appellanten recht hadden op bijstand.
Het college wees de aanvraag af wegens schending van de inlichtingenverplichting zoals bedoeld in artikel 17 van Pro de WWB. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de werkzaamheden uit coulance waren verricht zonder inkomsten en dat zij zich niet bewust waren van de meldingsplicht. Tevens stelden zij dat de afwijzing buitenproportioneel was.
De Raad oordeelde dat het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden, ongeacht de intentie of daadwerkelijke inkomsten, een relevante omstandigheid is die gemeld moet worden. Het niet melden hiervan vormt een schending van de inlichtingenverplichting. De WWB biedt geen ruimte om de afwijzing te toetsen aan de redelijkheid van de sanctie. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding werd eveneens geweigerd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.