ECLI:NL:CRVB:2015:3399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering uitkering wegens ontbreken hoofdverblijf in gemeente Almere
Appellante ontving sinds oktober 2010 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ), later omgezet naar bijstand op basis van de Wet werk en bijstand (WWB) van de gemeente Almere. Het college stelde op grond van onderzoek vast dat appellante niet haar hoofdverblijf had in Almere, maar vermoedelijk samenwoonde met de vader van haar kind in Lelystad.
Na onderzoek door het samenwerkingsverband Sociale Recherche Flevoland en het horen van getuigen trok het college de uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde het de betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet onafgebroken in Lelystad verbleef en dat zij gedurende vijf maanden in 2012 wel recht had op uitkering omdat zij toen bij haar vader in Almere woonde.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden en dat het aan haar was om aannemelijk te maken dat zij gedurende vijf maanden in Almere woonde. Dit is niet gelukt omdat zij niet concreet kon aangeven welke maanden dit waren en getuigen verklaarden dat zij niet zo lang van het adres in Lelystad was weggeweest. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de uitkering bevestigd.