ECLI:NL:CRVB:2015:3499

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2015
Publicatiedatum
13 oktober 2015
Zaaknummer
14/3026 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WWBArt. 16 WWBArt. 8 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsuitkering naar gehuwdennorm wegens niet-rechthebbende partner

Appellante diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Zij is gehuwd met een partner die geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Het college kende haar bijstand toe naar de norm van een alleenstaande ouder met toeslag, omdat de partner geen rechthebbende was volgens artikel 11 WWB Pro.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij recht had op bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van artikel 16 WWB Pro en artikel 8 EVRM Pro.

De Raad oordeelde dat de partner niet viel onder de groep rechthebbenden en dat appellante daarom geen beroep kon doen op artikel 16 WWB Pro. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro slaagde niet, omdat eventuele positieve verplichtingen ten aanzien van de partner niet via de WWB kunnen worden gerealiseerd.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijstand naar de gehuwdennorm wordt bevestigd.

Uitspraak

14/3026 WWB
Datum uitspraak: 13 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 april 2014, 13/7015 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Als gevolg van een gemeentelijke regeling oefent het dagelijks bestuur sinds 1 januari 2015 de bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voordien werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college). In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur mede verstaan het college.
Namens appellante heeft mr. I. Wudka, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2015. Appellante is niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Neeleman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 7 mei 2013 een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend. Appellante is gehuwd met [naam echtgenoot] (S), die bij haar en hun gezamenlijke kinderen woont.
S heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.
1.2.
Bij besluit van 27 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 oktober 2013 (bestreden besluit), heeft het college aan appellante met ingang van 7 mei 2013 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, verhoogd met een toeslag van 20%. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat S geen rechthebbende is in de zin van
artikel 11 van Pro de WWB.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft, samengevat, aangevoerd dat zij op grond van artikel 16 van Pro de WWB en artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) recht heeft op bijstand naar de norm voor gehuwden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 7 mei 2013 tot en met 27 juni 2013.
4.2.
Vaststaat dat S in de te beoordelen periode geen vreemdeling was als bedoeld in
artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt S tevens onder
artikel 16, tweede lid, van de WWB. Daarom kan aan hem geen bijstand ingevolge de WWB worden toegekend.
4.3.
Het beroep van appellante op artikel 16 van Pro de WWB slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een persoon die geen recht op bijstand heeft in de zin van artikel 16 van Pro de WWB een persoon is die niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in de artikelen 11 tot en met 15 van de WWB. Appellante heeft wel recht op bijstand, zodat appellante geen beroep toekomt op artikel 16 van Pro de WWB.
4.4.
Het beroep van appellante op artikel 8 van Pro het EVRM slaagt evenmin.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1259) kan, indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WWB een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van Pro het EVRM, dit niet met toepassing van de WWB gestalte worden gegeven. De vraag of S is aan te merken als kwetsbaar persoon die op grond van artikel 8 van Pro het EVRM bijzondere bescherming geniet, kan daarom in het kader van de WWB in het midden worden gelaten. Indien ten aanzien van S een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van Pro het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen.
4.5.
Wat hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A. Dinzey als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2015.
(getekend) G.M.G. Hink
De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD