Uitspraak
OVERWEGINGEN
www.echr.coe.int.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in Nederland uit Kosovaarse ouders zonder Nederlandse nationaliteit, vroeg bijstand aan op grond van de WWB. Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet viel onder de met Nederlanders gelijkgestelde vreemdelingen en geen rechtmatig verblijf had volgens de Vreemdelingenwet 2000.
Na diverse procedures en een eerdere uitspraak van de Raad die een deel van het besluit vernietigde, kende het college alsnog bijstand toe vanaf 5 oktober 2005, maar trok deze bijstand met ingang van 28 december 2005 in wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf. Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, dat werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant vanaf 28 december 2005 tot 1 januari 2007 geen aanspraak kon maken op bijstand omdat hij niet viel onder de beschermde categorieën van vreemdelingen in de WWB. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro leidde niet tot een andere uitkomst, omdat de wetgever een duidelijke begrenzing heeft gesteld aan de bijstandverlening aan vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf en de positieve verplichting uit het EVRM niet met toepassing van de WWB kan worden ingevuld.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf volgens de Vreemdelingenwet 2000.