ECLI:NL:CRVB:2015:3513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet overleggen identiteitsbewijs
Appellant ontvangt sinds 1996 bijstand en werd door het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort verzocht zijn identiteitsbewijs te overleggen in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek. Ondanks uitnodigingen op 26 april en 17 mei 2013, verscheen appellant niet of zonder paspoort. Het college schortte de bijstand op en trok deze uiteindelijk in per 26 april 2013 wegens het niet overleggen van het paspoort en het niet herstellen van het verzuim binnen de gestelde termijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en oordeelde dat appellant verwijtbaar handelde door het paspoort niet te tonen, terwijl hij hiervan op de hoogte was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij het belang niet inzag, zijn rijbewijs wel had, en pas na het gesprek aangifte deed van vermissing en een nieuw paspoort aanvroeg. Ook stelde hij dat hij ten tijde van het intrekkingsbesluit nog niet over de nieuwe documenten beschikte.
De Raad stelt vast dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het oordeel van de rechtbank weerleggen. Het niet overleggen van het paspoort op 17 mei 2013 en het niet doen van aangifte van vermissing, terwijl hij al geruime tijd op de hoogte was van de verplichting, zijn verwijtbaar. Het feit dat de nieuwe documenten pas na het intrekkingsbesluit werden afgegeven doet hieraan niet af. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet overleggen van het paspoort wordt bevestigd.