Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, sinds 1980 arbeidsongeschikt en werkzaam in een WSW-dienstverband als beveiligingsmedewerker, verzocht om een WAO-uitkering en maatmanwisseling. Het UWV wees dit af omdat appellant niet 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt was voor zijn WAO-verzekerde arbeid en de beveiligingsfunctie niet in het vrije bedrijfsleven had uitgeoefend.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant zijn werkzaamheden slechts in aangepaste vorm had verricht, waardoor maatmanwisseling niet mogelijk was. Ook stelde de rechtbank dat de wachttijd niet was voldaan omdat appellant steeds snel hervatte uit vrees voor ontslag.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad dat de beoordeling aan de hand van de AAW van vóór 1987 moet plaatsvinden. Omdat appellant de beveiligingsfunctie uitsluitend in WSW-verband uitoefende, kon geen maatmanwisseling plaatsvinden. Tevens was niet gebleken dat appellant 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest voor zijn WAO-verzekerde arbeid, waardoor de WAO-uitkering terecht werd geweigerd.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en het afwijzen van de maatmanwisseling.