ECLI:NL:CRVB:2015:3545
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks Q-koorts en fibromyalgie
Appellante ontving tot 2006 een WAO-uitkering en meldde zich in 2011 ziek met klachten gerelateerd aan fibromyalgie, ME/CVS en later borstkanker. Na medische beoordeling stelde het UWV vast dat zij beperkt belastbaar was en vier uur per dag licht werk kon verrichten, wat leidde tot intrekking van haar WAO-uitkering per 22 maart 2013.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen ernstiger waren door Q-koorts en dat het UWV onvoldoende medisch onderzoek had gedaan, waaronder het niet betrekken van haar behandelend artsen. Zij stelde zich volledig arbeidsongeschikt.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts terecht geen onderscheid kon maken tussen vermoeidheidsklachten door ME/CVS en de gevolgen van borstkankerbehandeling, maar dat de beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst een juist beeld geven. De medische stukken en verklaringen van de revalidatieartsen en Q-support leverden geen voldoende onderbouwing om het UWV-standpunt te betwijfelen.
Ook was niet gebleken dat de geselecteerde voorbeeldfuncties medisch ongeschikt waren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 22 maart 2013 wordt bevestigd omdat de beperkingen en voorbeeldfuncties medisch juist zijn vastgesteld.