Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Dit besluit is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als verzorgende C, kampte met darmklachten door de ziekte van Crohn en was arbeidsongeschikt verklaard met een mate van 80 tot 100% vanaf 2006. Het UWV stelde in 2012 echter vast dat zij vanaf 1 januari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna haar WIA-uitkering werd beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) correct waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ernstige gewrichtspijn had die niet voldoende was meegenomen, en dat zij daardoor niet geschikt was voor de voorgestelde werkzaamheden. Zij overhandigde medische stukken en een rapport van een eigen verzekeringsarts. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze medische gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren die door de rechtbank terecht waren verworpen. De rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hielden voldoende rekening met de klachten, waaronder beperking in werktijd en belastbaarheid van gewrichten.
De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen, mede omdat appellante geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die twijfel konden zaaien over de vastgestelde beperkingen. Ook was er geen medische noodzaak voor extra rustmomenten aangetoond. Het verzoek om een onafhankelijk medisch onderzoek werd afgewezen. Daarnaast werd het verzoek tot schadevergoeding, bestaande uit wettelijke rente, afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.