ECLI:NL:CRVB:2015:3593
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, geboren in 1962, was sinds 1990 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een fraudeonderzoek werd de uitkering per 1 september 2003 ingetrokken wegens een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant verzocht in 2012 om heropening van de uitkering wegens vermeende toename van zijn beperkingen sinds 2007.
Het UWV weigerde dit verzoek en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het eerdere besluit onherroepelijk was en dat er geen aanwijzingen waren voor toename van de beperkingen. Het medisch onderzoek was zorgvuldig, ondanks het ontbreken van een anamnese, en er was geen bewijs van vooringenomenheid.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische klachten waren toegenomen en dat een onafhankelijke deskundige benoemd had moeten worden. De Raad oordeelde echter dat de medische stukken geen aanwijzingen bevatten voor een duurzame verslechtering van de klachten. De Raad vond het medisch onderzoek voldoende en verwierp het vermoeden van vooringenomenheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid.