ECLI:NL:CRVB:2015:3603
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens onvoldoende aannemelijkheid extra kosten
Appellant, bijstandontvanger sinds februari 2012, vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten en eerste huur van een zelfstandige woning. Het college kende een deel van de kosten toe, deels als gift en deels als lening. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van de toegekende bijzondere bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij meer kosten had gemaakt dan het toegekende bedrag, mede door verlies van woning en huisraad in 2011. De Raad overwoog dat de inrichtingskosten onder bijzondere omstandigheden noodzakelijk zijn en dat appellant geen draagkracht heeft. Het college hanteert een beleidsmatig maximum op basis van het Handboek SZW, waarbij forfaitaire bedragen gelden.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd is om deze maxima vast te stellen, maar dat appellant mocht aantonen dat hogere kosten noodzakelijk waren. Dit is niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van verwijtbaar handelen van het college in 2011 is onvoldoende. Daarom wordt het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.