ECLI:NL:CRVB:2015:3611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant, die sinds 2001 een WAO-uitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van woninginrichting. Het college wees dit af omdat deze kosten onder de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan vallen en dus uit eigen inkomen of vermogen betaald moeten worden. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard, waarna de rechtbank het beroep eveneens afwees.
In hoger beroep wijzigde het college het standpunt over een voorliggende voorziening, waardoor de kernvraag werd of er sprake was van bijzondere omstandigheden die de kosten noodzakelijk maakten. De Raad oordeelde dat de inrichtingskosten tot de periodiek of incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten behoren, die in principe uit eigen middelen moeten worden betaald. Alleen bij bijzondere omstandigheden kan bijzondere bijstand worden verleend.
Hoewel appellant medische en sociale urgentie voor verhuizing aannemelijk maakte, was deze situatie voorzienbaar omdat hij al een jaar op de wachtlijst stond en had kunnen reserveren. Schulden door verslavingsproblematiek vormen geen bijzondere omstandigheid. De Raad concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt bevestigd wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.