ECLI:NL:CRVB:2015:362
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand bij fictief inkomen onder wettelijk minimumloon
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college wees de aanvraag af omdat zij niet was verschenen voor het aanleveren van ontbrekende gegevens. Later bleek dat appellante werkte als business consultant voor een salaris van €500 per maand bij een in China gevestigd bedrijf, terwijl zij 40 uur per week werkte.
Het college stelde dat appellante ten minste het wettelijk minimumloon had kunnen bedingen, waarmee zij de bijstandsnorm kon verdienen. De rechtbank oordeelde dat het college terecht uitging van een fictief inkomen op basis van het minimumloon, omdat het werkelijke loon niet reëel was voor de verrichte werkzaamheden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat er geen ondubbelzinnige toezegging was.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het fictief inkomen niet mocht worden gehanteerd en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank de gronden juist had beoordeeld en bevestigde de uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college mocht uitgaan van een fictief inkomen op basis van het wettelijk minimumloon.