ECLI:NL:CRVB:2015:3643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening gemiddeld aantal arbeidsuren bij WW-uitkering
Appellante maakte bezwaar tegen de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) door het UWV, omdat zij vond dat de periode waarover het GAA werd berekend onjuist was vastgesteld. Het UWV had het GAA berekend over de periode van 1 september 2011 tot en met 29 februari 2012, met een gemiddeld arbeidsurenverlies van 27 uur per week. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante niet benadeeld was door de gehanteerde berekeningsperiode.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV binnen tien dagen voor de zitting stukken had toegezonden, wat strijdig was met artikel 8:58 Awb Pro, en dat de periode voorafgaand aan 1 september 2011 ook meegenomen moest worden. De Raad oordeelde dat de stukken grotendeels bekend waren en appellante niet in haar procesbelang was geschaad. Tevens bevestigde de Raad dat artikel 16 WW Pro, zoals dat gold vóór 1 januari 2013, van toepassing was, en dat het UWV terecht was uitgegaan van de datum waarop appellante op non-actief werd gesteld (24 april 2012) voor de berekening van het GAA.
De Raad verwierp het standpunt van appellante dat de periode van 1 juni 2011 tot en met 30 november 2011 meegenomen moest worden, omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren door het UWV bevestigd.