Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig productiemedewerker, heeft sinds 1999 psychische klachten en ontving vanaf 2000 een WAO-uitkering van 80-100%. Na detentie werd het recht op uitkering beëindigd en het UWV stelde per 12 oktober 2012 een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% vast, waardoor de uitkering werd stopgezet.
Appellant betwistte dit besluit en voerde aan dat zijn psychische en lichamelijke beperkingen, waaronder rugklachten en verslavingsproblematiek, onvoldoende waren meegewogen. Hij stelde dat de verzekeringsarts de verslaving niet serieus had vastgesteld en dat de voorgestelde functies medisch niet passend waren.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische grondslag van het UWV-besluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak na herbeoordeling. De Raad oordeelt dat de verzekeringsarts de alcoholproblematiek erkende en dat de rugklachten geen afwijkingen vertoonden die tot een andere belastbaarheid zouden leiden. Er zijn geen aanwijzingen dat de medische beoordeling onjuist was.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt het bestreden besluit. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WAO-uitkering wordt bevestigd.