Uitspraak
OVERWEGINGEN
29 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 17 december 2013 gehandhaafd.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk voltijds medewerker kassen, meldde zich op 29 juli 2013 ziek wegens rugklachten en ontving daarop een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 23 december 2013, omdat appellant weer geschikt werd geacht voor zijn arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, waarbij het medisch onderzoek door het UWV als zorgvuldig werd beoordeeld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door rugklachten niet in staat was zijn arbeid te verrichten en verwees naar een MRI-scan en een specialistisch bericht van een orthopedisch chirurg. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant in hoger beroep dezelfde gronden aanvoerde als in beroep en geen nieuwe medische gegevens had ingebracht die twijfel konden zaaien over het oordeel van het UWV.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep had in haar rapporten gemotiveerd dat de geconstateerde afwijkingen op de MRI-scan en röntgenonderzoek geen beperkingen rechtvaardigen en geen medische verklaring bieden voor de pijnklachten. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid.