ECLI:NL:CRVB:2015:3703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving sinds 1999 een WAO-uitkering vanwege rug-, psychische en hartklachten. In 2004 werd deze uitkering ingetrokken omdat er geen wijziging in medische klachten was en het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg. In 2010 vroeg appellant een WIA-uitkering aan, maar het UWV wees deze af omdat de klachten niet waren toegenomen en de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was.
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van de WAO-uitkering en de weigering van de WIA-uitkering. Hij stelde dat er sprake was van dezelfde klachten en dat de arbeidsdeskundige niet bevoegd was om dit te beoordelen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad overwoog dat op grond van artikel 43a WAO alleen aanspraak op heropening bestaat indien sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak. Uit medische rapporten bleek dat er geen toename van rugklachten was en dat de psychische klachten waren verdwenen. De arbeidsongeschiktheid was onvoldoende om een WIA-uitkering toe te kennen.
De Raad benadrukte dat het UWV terecht een volledige heroverweging heeft gemaakt en dat de intrekking van de WAO-uitkering en weigering van de WIA-uitkering op goede gronden zijn gebaseerd. De intrekking is bovendien per toekomende datum geëffectueerd in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam is bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering en weigering van de WIA-uitkering worden bevestigd wegens onvoldoende toename van arbeidsongeschiktheid.