Appellant was sinds eind 2001 arbeidsongeschikt door nek- en armklachten en ontving een WAO-uitkering. Na herstel en werkhervatting werd deze uitkering ingetrokken. In 2007 meldde appellant zich ziek met knie- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het Uwv kende aanvankelijk een WAO-uitkering toe maar trok deze later in en beoordeelde de arbeidsongeschiktheid onder de WIA.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak per 6 september 2007, dat er geen medische noodzaak was voor urenbeperking en dat het verlies aan verdienvermogen 36,25% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar maakte geen onderscheid tussen het beroep tegen twee besluiten en beoordeelde de intrekking van de WAO-uitkering ten onrechte als een weigering.
De Raad bevestigt dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat de beperkingen in 2007 niet uit dezelfde oorzaak voortvloeiden als in 2002. De intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht was terecht en de beoordeling van de WIA-uitkering was correct. Er is geen medische grond voor urenbeperking. Het beroep tegen beide besluiten wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, en het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten.