ECLI:NL:CRVB:2015:3713

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 oktober 2015
Publicatiedatum
26 oktober 2015
Zaaknummer
15-6208 AWBZ-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening pgb afgewezen wegens gebrek aan connexiteit met bestreden besluiten

Verzoeker heeft een indicatie ontvangen van het CIZ voor AWBZ-zorg in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding individueel en in groepsverband. De rechtbank heeft het beroep tegen deze indicatie ongegrond verklaard, waarna hoger beroep is ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad heeft CIZ meerdere malen opgedragen nader onderzoek te doen naar de medische situatie en zorgbehoefte van verzoeker. Verzoeker verzoekt nu een voorlopige voorziening om een pgb te verkrijgen waarmee hij in zijn zorgbehoefte kan voorzien.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is omdat het verzoek geen formele en materiële connexiteit vertoont met de bestreden besluiten van het CIZ. De bevoegdheid om te beslissen over de verlening van een pgb ligt bij het Zorgkantoor, niet bij het CIZ. Hierdoor kan de voorlopige voorziening niet betrekking hebben op de bestreden besluiten.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot verlening van een pgb wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan connexiteit met de bestreden besluiten.

Uitspraak

15/6208 AWBZ-VV
Datum uitspraak: 2 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[naam] te [woonplaats] (verzoeker)

CIZ

Zitting heeft: J. Brand
Griffier: N. Veenstra
Ter zitting zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, advocaat. Namens CIZ is niemand verschenen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Bij beslissing op bezwaar van 29 november 2011 (bestreden besluit 1) heeft CIZ aan verzoeker een indicatie afgegeven voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functies begeleiding individueel, klasse 2, en begeleiding in groepsverband (zonder vervoer), klasse 4, voor de periode van
24 juni 2011 tot en met 23 juni 2026, te ontvangen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 2 juli 2012 het beroep tegen bestreden besluit
1 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
De Raad heeft op 7 mei 2014 een tussenuitspraak gedaan waarbij CIZ is opgedragen nader onderzoek te doen naar de medische situatie van verzoeker en de omvang van de door hem benodigde zorg. Op 9 juli 2014 heeft CIZ een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Naar aanleiding hiervan heeft op 25 februari 2015 een nadere zitting plaatsgevonden waarna het onderzoek door de Raad is heropend en CIZ is opgedragen om opnieuw onderzoek te doen naar de zorgbehoefte van verzoeker.
Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe dat aan verzoeker een pgb wordt verleend waarmee hij kan voorzien in de door hem benodigde zorg.
Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Uit de functie van artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Dat wil zeggen dat de gevorderde voorlopige voorziening betrekking moet hebben op het - connexe - in de hoofdzaak bestreden besluit (respectievelijk, in voorkomende gevallen, op het daaraan voorafgegane primaire besluit).
Daarvan is in dit geval geen sprake. Gelet op de systematiek van de toepasselijke regelgeving kan het verzoek om een voorlopige voorziening slechts betrekking hebben op een besluit van het Zorgkantoor waarbij wordt beslist over de verlening van het door verzoeker gewenste pgb. Het is immers het Zorgkantoor, en niet CIZ, dat bevoegd is om op basis van een gestelde indicatie te besluiten over de wijze van realisatie van die zorg, al dan niet in de vorm van een pgb (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9439). Dit betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening geen betrekking heeft op de door CIZ genomen bestreden besluiten 1 en 2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) N. Veenstra (getekend) J. Brand