ECLI:NL:CRVB:2015:3726

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2015
Publicatiedatum
27 oktober 2015
Zaaknummer
14/3610 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet opgegeven werkzaamheden

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf augustus 2009. Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant samenwoonde en zwart werkte, stelde de sociale recherche een onderzoek in. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, waarnemingen, getuigenverhoren en verhoren van appellant en zijn medebewoner.

Op basis van de onderzoeksbevindingen trok het college van burgemeester en wethouders van Utrecht bijstand in over de periode van 25 september 2012 tot en met 4 februari 2013 en vorderde de gemaakte kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant meer uren werkte dan opgegeven, wat werd bevestigd door waarnemingen en observaties. Appellant had zijn inlichtingenplicht geschonden door niet volledig te rapporteren over zijn werkzaamheden. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en was intrekking op grond van artikel 54, derde lid, WWB gerechtvaardigd.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.

Uitspraak

14/3610 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2014, 13/5427 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.P. van Stralen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Namens appellant is verschenen mr. Van Stralen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 4 augustus 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellant met [naam] (S) samenwoont in [plaats 1] en dat hij zwart zou werken in een viswinkel in [plaats 2] , heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn waarnemingen en observaties verricht, zijn getuigen gehoord en zijn appellant en S verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 28 mei 2013.
1.3.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 2 augustus 2013 de bijstand van appellant over de periode van 25 september 2012 tot en met 4 februari 2013 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.114,44 van appellant terug te vorderen.
1.4.
Bij besluit van 19 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen het besluit van 2 augustus 2013 ongegrond verklaard. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant zijn woonplaats heeft bij S in Nieuwegein en ook dat appellant meer werkzaamheden heeft verricht dan hij heeft opgegeven aan het college, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De hier te beoordelen periode loopt van 25 september 2012 tot en met 4 februari 2013.
4.2.
Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
4.3.
De onderzoeksbevindingen bieden voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van het college dat appellant meer werkzaamheden heeft verricht dan hij heeft opgegeven. Dit volgt uit de verklaring van appellant. Appellant heeft immers verklaard dat hij meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven, in de hoop dat hij zo een uitbreiding van zijn contract zou krijgen. Dat appellant meer uren heeft gewerkt dan de uren die hij heeft opgegeven, vindt steun in de in de periode van 25 september 2012 tot en met 9 oktober 2012 verrichte waarnemingen en de in de periode van 5 november 2012 tot en met 3 december 2012 verrichte observaties, waarin appellant gedurende beduidend meer dan de door hem opgegeven uren aan het werk is gezien. Aan de verklaring van de werkgever van appellant, inhoudende dat appellant ook regelmatig in de viswinkel aanwezig was op momenten dat hij geen werkzaamheden verrichtte, komt in dit verband niet de betekenis toe die appellant daaraan toedicht. Deze verklaring stemt immers niet overeen met de door appellant zelf afgelegde verklaring en ook niet met de waarnemingen en observaties.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat appellant over de te beoordelen periode zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen (volledige) opgave te doen van zijn werkzaamheden in de viswinkel. Omdat appellant geen concrete en verifieerbare informatie heeft verschaft over de precieze omvang van de door hem verrichte werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten, kan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld. Het college was dan ook gehouden om op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand in te trekken.
4.5.
Omdat de in 4.4 genoemde schending van de inlichtingenverplichting een voldoende grondslag biedt voor de intrekking van de bijstand over de te beoordelen periode behoeft, zoals ter zitting is besproken, de grondslag dat appellant zijn woonplaats in Nieuwegein had geen bespreking meer.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) R.G. van den Berg

HD