ECLI:NL:CRVB:2015:3728
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens partnertoeslag Wsf 2000
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en woonde samen met M, die studiefinanciering ontving. Na de geboorte van hun kind op 3 januari 2013 ontstond aanspraak op een partnertoeslag volgens de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), waardoor inkomsten boven de bijstandsnorm konden worden verworven.
Het college van burgemeester en wethouders beëindigde en trok de bijstand in vanaf 3 januari 2013 en vorderde kosten terug over de periode 1 januari 2012 tot 31 mei 2013. Het bezwaar van appellante tegen deze besluiten werd grotendeels ongegrond verklaard, waarna de rechtbank het beroep afwees.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat de partnertoeslag als een voorliggende voorziening moet worden aangemerkt, waardoor appellante geen recht had op bijstand in de periode van 3 januari tot 14 juni 2013. Het feit dat M de toeslag niet tijdig heeft aangevraagd doet hieraan niets af. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens aanspraak op partnertoeslag wordt bevestigd.