ECLI:NL:CRVB:2015:518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf september 2008 bijstand als alleenstaande, terwijl hij samen met appellante en hun drie kinderen een gezamenlijke huishouding voerde. De sociale recherche stelde een onderzoek in naar mogelijke samenwoonfraude, leidend tot een besluit van het dagelijks bestuur om de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarbij zij het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding vanaf de geboorte van het jongste kind in 2011 toepaste. Appellanten stelden in hoger beroep dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf die datum bestond en dat de terugvordering te hoog was.
De Raad oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding reeds vanaf 2002 geldt, omdat er drie kinderen uit de relatie zijn geboren. Uit verklaringen en onderzoeksgegevens bleek dat appellant zijn hoofdverblijf vanaf 2008 op het adres van appellante had, waarmee sprake was van gezamenlijke huishouding. Appellanten hadden de inlichtingenplicht geschonden, waardoor de intrekking en terugvordering gerechtvaardigd zijn.
Verder stelde de Raad vast dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat appellant recht had op bijstand naar gehuwdennorm, mede gezien de studiefinanciering en de partnertoeslag. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding vanaf 2008.