ECLI:NL:CRVB:2015:3756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand woonkostentoeslag wegens voorliggende voorziening huurtoeslag
Appellant, gehuwd en met drie kinderen, ontving bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag omdat zijn toeslagpartner geen geldige verblijfsvergunning had en hij daardoor geen recht had op huurtoeslag en kindgebonden budget. Na een initiële toekenning tot eind 2012, werd de aanvraag voor verlenging vanaf januari 2013 afgewezen omdat de Wet op de huurtoeslag als passende voorliggende voorziening geldt en er geen zeer dringende redenen waren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het college het beleid inconsistent toepaste en dat zijn kinderen financieel zouden lijden. Ook voerde hij een beroep in verband met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind aan.
De Raad oordeelde dat er geen concrete toezeggingen waren die het vertrouwensbeginsel konden rechtvaardigen. De Wht geldt als toereikende voorliggende voorziening, zodat bijzondere bijstand niet toekomt. Er waren geen acute noodsituaties die zeer dringende redenen rechtvaardigen. Het beleid van het college was consistent toegepast en het beroep op het IVRK slaagde niet. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijzondere bijstand woonkostentoeslag bevestigd.