ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstand bij verblijf in buitenland wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en vroeg toestemming voor verblijf in het buitenland van 12 november tot 3 december 2010. Het college weigerde deze toestemming en trok de bijstand in omdat appellant in dat kalenderjaar al langer dan vier weken in het buitenland verbleef, hetgeen volgens artikel 13 WWB Pro niet is toegestaan.
Appellant voerde als uitzondering zeer dringende redenen aan vanwege de ernstige ziekte van zijn moeder in Pakistan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat de gezondheidssituatie van de moeder niet voldeed aan de strikte criteria van een acute noodsituatie zoals vereist in artikel 16 WWB Pro.
De Raad benadrukte dat de dringende redenen alleen kunnen gelden voor de persoon die bijstand ontvangt en dat het verblijf van appellant niet te maken had met zijn eigen gezondheidssituatie. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de intrekking van de bijstand gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland zonder zeer dringende redenen wordt bevestigd.