ECLI:NL:CRVB:2015:3779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling wettelijke rente over nabetaling IVA-uitkering 2010
Appellant, een zelfstandig ondernemer met een IVA-uitkering, verzocht het UWV om de uitkering pas na afloop van het kalenderjaar te beoordelen vanwege te verwachten winst uit onderneming. Na ontvangst van het jaarrapport 2010 stelde het UWV een nabetaling vast van €17.298,13. De wettelijke rentevergoeding over deze nabetaling werd aanvankelijk vastgesteld op €38,29, later verhoogd naar €267,17 en uiteindelijk naar €364,05 na herziening door het UWV.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de rentevergoeding ongegrond, omdat het UWV terecht wachtte op de definitieve aanslag van de Belastingdienst voor de vaststelling van de uitkering. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rentevergoeding onjuist was berekend, onder meer omdat de beslistermijn volgens hem moest ingaan bij ontvangst van het jaarrapport en niet bij de definitieve aanslag, en dat de rente betrekking had op 2009 in plaats van 2010.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat partijen waren afgeweken van het wettelijke maandelijkse betalingsstelsel en dat de beslistermijn moest worden gerekend vanaf de dag na ontvangst van het jaarrapport, dus 26 februari 2011. De wettelijke rente moest worden berekend vanaf 14 weken na die datum, conform de toepasselijke artikelen van de Awb. De eerdere besluiten werden vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, met vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de eerdere besluiten over de wettelijke rente en draagt het UWV op een nieuwe berekening te maken met inachtneming van de juiste beslistermijn en betaaltermijn.