ECLI:NL:CRVB:2015:3793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor huurbetaling tijdens detentie wegens ontbreken zeer dringende redenen
Appellante, die sinds geruime tijd bijstand ontving, werd op 14 januari 2013 in voorlopige hechtenis genomen. Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor het doorbetalen van haar huur en vaste lasten gedurende haar detentieperiode. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen wees dit verzoek af, omdat appellante gedetineerd was en er geen zeer dringende redenen waren om hiervan af te wijken.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de situatie van appellante niet vergelijkbaar was met eerdere zaken waarin wel bijzondere bijstand werd toegekend. Hoewel er sprake was van ernstige psychiatrische problematiek, was er geen acute noodsituatie of risico op psychose door het verlies van de woning. Bovendien hadden de kinderen van appellante de huur voorgeschoten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische problematiek wel degelijk een zeer dringende reden vormde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit een herhaling was van eerdere stellingen zonder nieuwe argumenten. De Raad onderschreef de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit tot afwijzing van de bijzondere bijstand.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd op 27 oktober 2015 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor huurbetaling tijdens detentie is afgewezen wegens ontbreken van zeer dringende redenen.